HZ-toernooi 2016

 

Peter van der Borgt leert een hoop tijdens het HZ toernooi

Dan schaak je al meer dan 40 jaar in clubverband en toch kan je nog een hoop leren. Dat heb ik gedaan tijdens het HZ toernooi. Dit jaar was ik de enige DZD-deelnemer. Geruststellende gedachte: ik hoefde het toernooi alleen maar uit te spelen om de beste DZD-er te zijn.

Wat je leer dan zo al? Laat ik maar eens beginnen met mijn witpartijen. In het voorjaar was ik op een verschrikkelijke manier van het bord geveegd door Jos van der Kaap (van Goes A) in een Ponziani. Ik beloofde mezelf (en de schaakwereld), nooit, maar dan ook nooit meer, die Ponziani te spelen. Dan zou je denken dat een ervaren schaker de maanden daarna eens gaat kijken wat hij dan wel gaat spelen na 1.e4.

Na de eerste twee zetten in de eerste partij (1.e4,e5 2.Pf3,Pc6) kwam ik erachter dat ik dat niet gedaan had. Ik speelde maar het Italiaans, maar kwam in een variant terecht die (bleek later toen ik één van mijn schaakbijbels inkeek) volgens de huidige stand van de theorie door zwart eenvoudig naar een remisestelling kan worden gespeeld. Gelukkig kende mijn tegenstander die theorie ook niet en ging in op een pionoffer, waarvan ik dan nog wel wist dat dat niet zo goed was. Zo kon ik die partij toch nog makkelijk winnen.

Een paar rondes later (tegen Albert Vermue) meende ik Schots te moeten spelen. Ik werd door Vermues verrassende tegenspel zo in de war gebracht dat ik gedwongen was een pion te geven; alleen wikkelde Albert zo af dat het opeens een geweldig pionoffer werd en omdat Albert niet wilde verdedigen, werd hij ook relatief snel en makkelijk naar een 0 gespeeld.

Conclusie is in elk geval dat, ondanks die twee winstpartijen, ik op zoek moet naar een nieuwe lijfopening. Het kan nog alle kanten op: van Italiaans tot Schots, van Spaans tot Vierpaardenspel of gaan we maar eens een gambietje spelen? Ik weet het nog niet.

Van de 9 rondes nam ik 1 bye (in de 2e ronde) en dus had ik 4 keer wit en 4 keer zwart. Die andere twee witpartijen waren ook leerzaam. Tegen Niels de Feijter speelde ik de Caro-Kann niet zo goed en eigenlijk bereikte ik alleen wat, omdat Niels ook niet altijd de beste zetten deed. Zo kwam ik in een stelling terecht waarin ik ietsje beter stond. Allebei hadden we nog maar weinig tijd. Het devies zou dus moeten zijn: rustig blijven en geen gekke dingen doen. Maar juist dan komt er een offermogelijkheid die `te mooi was om niet uit te voeren´. En dan zit ik in een ´loose-loose´ situatie. Plaats je het offer, dan loop je een grote(re) kans op een nederlaag, maar ook op ´eeuwige roem´ en een prachtige zege. Plaats je het offer niet, dan weet je dus niet hoe het zou zijn gegaan als je geofferd had. U snapt het al: het offer was misschien goed (genoeg), maar ik maakte een fout, Niels counterde direct en won. Leerpunt: hou het simpel.

De 4e witpartij was in de laatste ronde en toen moest ik wel offeren. In de opening (mijn tegenstander) speelde de egelstelling en daardoor liet ik me verleiden tot een foute paarduitval, moest ik terug de verdediging in, offerde ik een pion voor spel en ruimte, dacht ik met een mooie manoeuvre tegenkansen te scheppen, bleek dit gewoon paardverlies, waarbij ik me alleen in de wedstrijd kon houden door er nog een kwaliteit tegen aan te houden. Plots zag mijn tegenstander spoken en bleek mijn schwindel te werken.

Kortom: met wit heb ik nog veel punten waar aan gewerkt moet worden.

Met wit had ik dus 3 uit 4. Let wel: allemaal tegen spelers met een lagere rating. In totaal eindigde ik op 4,5 uit 8 (in de boeken staat natuurlijk 5 uit 9, want die bye leverde een halfje op). Met zwart kwam ik dus tot 1,5 uit 4 (3 remises en 1 nederlaag). Hier zaten wel twee 2100-spelers bij. Mijn verliespartij was eigenlijk de beste en zeker de leukste. Het bord stond lange tijd in brand. Ik offerde een pion, mijn tegenstander offerde er twee terug, waarna ik de stelling probeerde te vereenvoudigen met een kwaliteitsoffer. De stelling werd er inderdaad eenvoudiger op, maar leidde er ook toe (en dat had ik niet voorzien) dat mijn tegenstander in het voordeel kwam en dat werd door hem mooi uitgespeeld.

De drie zwarte remises kwamen allemaal tot stand in partijen waarin wit met 1.d4 opende en zeer rustig speelde. In alle drie de partijen kwam ik minder te staan. Tegen Ed Baarslag was mijn stelling zelfs als krakkemikkig te omschrijven. Dat ik die partij remise hield was te wijten aan het feit dat Baarslag zijn kansen niet greep en ik creatief tegenspel combineerde met zeer lelijke dekkingszetten. Toen ik eindelijk uit de problemen was bood ik meteen remise aan in een stelling die (maar dat realiseerde ik me pas later in bed) misschien wel beter voor me was. De andere twee remises waren ook niet ongelukkig.

Conclusie van deze zwarte remises: Op 1.d4 moet ik iets anders gaan bedenken. Wat? Dat weet ik nog niet: Indisch, Hollands of ook hier een gambietje?

Eindconclusie: ik ga mijn openingenrepertoire bijstellen. Het heeft dus geen zin meer dat tegenstanders zich op mij gaan voorbereiden. Mij ´pluggen´, zoals dat door YT (Joey Grochal) genoemd is dus niet meer nodig.

Voor meer informatie HZ-toernooi: Klik HIER